Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Geschil tussen advocaat en cliënt over hoogte van declaraties van de advocaat. Met de invoering van de Wet positie en toezicht advocatuur per 1 januari 2015 is de regeling van de begrotingsprocedure voor advocatensalarissen, zoals neergelegd in de artikelen 32 tot en met 40 Wbtz, komen te vervallen. Nu de advocaat in het onderhavige geval niet vóór 1 januari 2015 een begrotingsverzoek heeft ingediend, is het per 1 januari 2015 geldende recht van toepassing. Op grond hiervan is de burgerlijke rechter met ingang van 1 januari 2015 bevoegd is om over geschillen met betrekking tot de hoogte van declaraties van advocaten te oordelen, tenzij in de overeenkomst van opdracht tussen advocaat en cliënt is opgenomen dat geschilbeslechting plaatsvindt door middel van arbitrage of door middel van een vaststellingsovereenkomst. In het onderhavige geval is door geen van partijen op een dergelijke geschillenregeling een beroep gedaan, zodat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling over het tussen partijen bestaande begrotingsgeschil. De zaak is verwezen naar de rol voor overlegging van de dossiers waarop de door de advocaat in rekening gebrachte werkzaamheden hebben.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.129.716/01

arrest van 3 maart 2015

in de zaak van

1 [appellante],wonende te [woonplaats],

2. [appellant],wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. L.R.G.M. Spronken te 's-Hertogenbosch,

tegen

Advocatenkantoor [Advocatenkantoor] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.L. Daniëls te Rijen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 augustus 2014 in het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo onder zaaknummer 332479/CV EXPL 12-669 gewezen vonnissen van 3 oktober 2012 en 13 februari 2013.

9 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenarrest van 12 augustus 2014;

de akte na tussenarrest van [Advocatenkantoor] van 11 november 2014;

de antwoord-akte na tussenarrest van [appellanten] met een productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

10 De verdere beoordeling

10.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof onder meer overwogen dat de burgerlijke rechter deels onbevoegd is om het geschil tussen partijen te beoordelen, namelijk voor zover dit betrekking heeft op de verweren ten aanzien van de hoogte van de declaraties van [Advocatenkantoor], en dat het bestreden vonnis van 3 oktober 2012 voor zover dit het onbevoegdheidsverweer betreft en het bestreden vonnis van 13 februari 2013 voor zover daarbij de omvang van de gevorderde declaraties is vastgesteld voor vernietiging in aanmerking komen. Het hof heeft voorts overwogen dat partijen ter vaststelling van de omvang van de declaraties de begrotingsprocedure zoals neergelegd in de artikelen 32-40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (hierna: Wtbz) dienen te volgen en van [Advocatenkantoor] te verwachten dat zij de begrotingsprocedure op korte termijn aanhangig maakt. Het hof heeft daartoe aangegeven na een periode van drie maanden na de datum van het tussenarrest van [Advocatenkantoor] te willen vernemen wat de uitkomst van de begrotingsprocedure is dan wel in welk stadium deze procedure zich bevindt. Het hof heeft daartoe de zaak verwezen naar de rol en iedere verdere beslissing aangehouden.

10.2.

[Advocatenkantoor] heeft bij akte na tussenarrest aan het hof medegedeeld dat haar is gebleken dat de Raad van Toezicht al enige tijd geen begrotingsverzoeken meer in behandeling neemt in verband met de wetswijziging per 1 januari 2015 waarbij de begrotingsprocedure wordt afgeschaft en gelet op de grote voorraad zaken die nog afgehandeld moet worden voor die tijd.

10.3.

[appellanten] hebben zich in hun antwoord-akte, kort gezegd, primair op het standpunt gesteld dat het voor rekening en risico van [Advocatenkantoor] komt dat er niet begroot kan worden en dat haar vordering moet worden afgewezen, omdat [Advocatenkantoor] de begrotingsverzoeken in strijd met de door het hof in het arrest van 12 augustus 2014 uitgesproken verwachting niet op korte termijn na het tussenarrest heeft ingediend bij de Raad van Toezicht. Subsidiair hebben [appellanten] zich op het standpunt gesteld dat een comparitie van partijen bepaald moet worden om de situatie te bespreken en een oplossing te vinden en dat het hof de Raad van Toezicht zou kunnen verzoeken te begroten naar de normen, geldend vóór 1 januari 2015.

10.4.

Het hof overweegt als volgt.

Met de invoering van de Wet positie en toezicht advocatuur (hierna: Wpta) per 1 januari 2015 is de regeling van de begrotingsprocedure voor advocatensalarissen, zoals neergelegd in de artikelen 32 tot en met 40 Wbtz, komen te vervallen (artikel III Wpta). Op grond van de overgangsbepaling van artikel IV Wpta geldt dat, indien in een geschil tussen advocaat en cliënt over de hoogte van declaraties de hoogte van de vergoeding reeds is begroot op het moment dat de Wbtz in werking treedt, de bepalingen van de Wbtz omtrent de begrotingsprocedure op dit geschil van toepassing zijn. Het hof begrijpt uit de akte na tussenarrest van [Advocatenkantoor] echter dat [Advocatenkantoor] in het geheel geen begrotingsverzoek heeft ingediend bij de Raad van Toezicht. Dit betekent dat op het onderhavige geschil het nieuwe recht, zoals dat per 1 januari 2015 geldt, van toepassing is. Anders dan [appellanten] menen, is het hof van oordeel dat het niet voor rekening en risico van [Advocatenkantoor] behoort te komen dat thans niet meer begroot kan worden door middel van de in de Wbtz neergelegde begrotingsprocedure. Het feit dat deze begrotingsprocedure als gevolg van de wetswijziging per 1 januari 2015 is komen te vervallen, kan niet aan [Advocatenkantoor] worden tegengeworpen.

De Wpta voert onder verwijzing naar artikel 28 van de Advocatenwet een verplichting in voor het college van afgevaardigden om bij of krachtens verordening regels te stellen over een klachten- en geschillenregeling. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het voor de hand ligt dat deze regeling zich tevens uitstrekt tot geschillen over de declaraties van advocaten (MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 382, nr. 3, p. 32). Deze regeling heeft gestalte gekregen in artikel 6.29 van de eveneens per 1 januari 2015 geldende Verordening op de advocatuur. Dit artikel luidt als volgt:

‘Indien de advocaat, de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband in de overeenkomst van opdracht opneemt dat geschillen over de totstandkoming en de uitvoering van deze overeenkomst, de kwaliteit van de dienstverlening of de hoogte van de declaratie (onderstreping hof) ter beslechting worden voorgelegd aan een ander dan de bevoegde rechter, dan vindt deze geschilbeslechting in ieder geval plaats door middel van een overeenkomst tot arbitrage, bedoeld in artikel 1020 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of door middel van een vaststellingsovereenkomst, bedoeld in artikel 900 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek .’

Hieruit alsmede uit de toelichting op de Verordening op de advocatuur volgt dat de burgerlijke rechter met ingang van 1 januari 2015 bevoegd is om over geschillen met betrekking tot de hoogte van declaraties van advocaten te oordelen, tenzij in de overeenkomst van opdracht tussen advocaat en cliënt is opgenomen dat geschilbeslechting plaatsvindt door middel van arbitrage of door middel van een vaststellingsovereenkomst. Mogelijk staat in de door [Advocatenkantoor] gehanteerde algemene voorwaarden dat zij deelneemt aan de klachten- en geschillenregeling Advocatuur. Partijen hebben hierop evenwel geen beroep gedaan, zodat het al dan niet deelnemen aan voornoemde regeling in het midden kan worden gelaten. Hieruit volgt dat in het onderhavige geval de burgerlijke rechter nu bevoegd is om van het begrotingsgeschil tussen partijen kennis te nemen. In zoverre komt het hof terug op zijn beslissing in rechtsoverweging 7.6.4 van het tussenarrest van 12 augustus 2014.

10.5.

Het hof komt dus alsnog toe aan een inhoudelijke behandeling van de grieven 2, 3 en 4 van [appellanten] en daarmee van de verweren van [appellanten] ten aanzien van de hoogte van de declaraties van [Advocatenkantoor] waarvan laatstgenoemde betaling vordert. Deze verweren komen er, kort gezegd, op neer dat [appellanten] betwisten dat met de werkzaamheden, bestaande uit het plegen van telefonisch overleg en het opstellen/ontvangen van brieven, daadwerkelijk de daarvoor door [Advocatenkantoor] in rekening gebrachte tijd is gemoeid, dat zij betwisten dat werkzaamheden deugdelijk zijn gespecificeerd in de facturen en dat zij betwisten dat er tussen partijen een uurtarief van € 195,- exclusief btw is overeengekomen. Om een weloverwogen oordeel te kunnen geven over de hoogte van de declaraties waarvan [Advocatenkantoor] betaling vordert, dient het hof te beschikken over de drie dossiers waarop de in rekening gebrachte werkzaamheden betrekking hebben. Naar het hof uit de stukken afleidt, betreft het het dossier [appellant]/[X.] ([dossiernummer 1]), het dossier [appellant]-[appellante]/[X.]-[Y.] II ([dossiernummer 2]) en het dossier [appellant]-[appellante]/[X.]-[Y.] hoger beroep ([dossiernummer 3]). Het hof zal [Advocatenkantoor] in de gelegenheid stellen om bij akte de betreffende dossiers in kopie aan het hof en aan [appellanten] te doen toekomen, waarbij [Advocatenkantoor] tevens haar vorderingen (nader) mag toelichten. Vervolgens zal [appellanten] in de gelegenheid worden gesteld om in het kader van de door hen gevoerde verweren daarop te reageren. Daarbij dienen partijen ook te betrekken de hoogte van het door [Advocatenkantoor] gehanteerde uurtarief, zoals dat zou kunnen blijken uit productie 3 bij memorie van antwoord.

Aan de hand van de over te leggen dossiers zal het hof beoordelen of het hof in staat is de door [appellant] aan [Advocatenkantoor] verschuldigde vergoeding voor de door [Advocatenkantoor] in opdracht van [appellanten] verrichte werkzaamheden (schattenderwijs) te begroten. Het hof acht het niet uitgesloten dat het hof daarbij alsnog toekomt aan de benoeming van een deskundige. Het hof heeft daarbij mevrouw mr. N.A.M. Sinjorgo in gedachten. Voor het geval het hof zou toekomen aan de benoeming van een deskundige stelt het hof reeds thans partijen tevens in de gelegenheid om bij akte zich uit te laten over het aantal te benoemen deskundigen, de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen.

10.6.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

11 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 31 maart 2015 voor akte aan de zijde van [Advocatenkantoor] met het hiervoor in r.o. 10.5 vermelde doeleinde;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, W.H.B. den Hartog Jager en J.P. de Haan en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 maart 2015.

griffier rolraadsheer


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature