Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Open systeem invordering. Gebruik bij fiscaal derdenonderzoek verkregen “images” voor voorlopig getuigenverhoor (met het oog op) civielrechtelijke aansprakelijkstelling. Vraag of dit al dan niet binnen de reikwijdte valt van de door de Belastingdienst gegeven waarborg om de uit het derdenonderzoek verkregen gegevens alleen te gebruiken voor de invordering van de belastingschuld van de in de waarborg genoemde (rechts)personen.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/450880/ HA ZA 13-1057

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 januari 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRADMAN NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRADMAN FS HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

advocaat: mr. J.P. Heering,

tegen

1. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, de Inspecteur van de Belastingdienst midden- en kleinbedrijf, de Inspecteur van de Belastingdienst grote ondernemingen),

zetelend te Den Haag,

2. DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF,

kantoorhoudend te Eindhoven,

3. DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST GROTE ONDERNEMINGEN,

kantoorhoudend te Eindhoven,

gedaagden,

advocaat: mr. W.I. Wisman.

Eiseressen worden tezamen en in enkelvoud aangeduid als “Tradman”. Gedaagden worden tezamen aangeduid als “de Belastingdienst” en gedaagden sub 2 en 3 tezamen en in enkelvoud als “de Ontvanger”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 juli 2014 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- het tussenvonnis van 20 november 2013, waarin een comparitie van partijen voor de meervoudige kamer is gelast; en

- het proces-verbaal van de op 26 mei 2014 gehouden comparitie van partijen voor de meervoudige kamer en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Tot slot is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tradman is een trustkantoor.

2.2.

In de periode van 1994 tot eind 2006 voerde (de rechtsvoorganger van) Tradman het administratieve beheer en bestuur over een aantal rechtspersonen, waarvan [A] (hierna: [A]) middellijk of onmiddellijk aandeelhouder was of de feitelijke zeggenschap had.

2.3.

In maart 2008 heeft de Inspecteur mede ten behoeve van de Ontvanger op grond van artikel 53 Algemene wet rijksbelastingen (AWR) en artikel 62 Invorderingswet 1990 (Iw) een derdenonderzoek ingesteld bij Tradman in het kader van onderzoek naar de geldstromen van [A] en zijn broer [B] (die hierna tezamen ook worden aangeduid als: “[de gebroeders AB]”) en aan hen te relateren rechtspersonen. Dit derdenonderzoek wordt hierna ook aangeduid als: “het derdenonderzoek”.

2.4.

Tradman heeft vervolgens gegevens verstrekt aan de Belastingdienst, die

– vanwege de volgens hem gebrekkige medewerking van Tradman eind 2009 – Tradman in kort geding heeft gedagvaard met de vordering om Tradman te veroordelen om op straffe van een dwangsom volledig mee te werken aan het derdenonderzoek.

2.5.

Na de mondelinge behandeling is de kort geding procedure aangehouden, opdat partijen tot een minnelijke regeling zouden kunnen komen.

2.6.

Bij brief van 9 maart 2009 heeft de Belastingdienst een voorstel gedaan aan Tradman, met daarin een aantal waarborgen. Deze brief, die hierna wordt aangeduid als: de waarborg, luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Na ampel beraad verzoeken wij Tradman op de volgende wijze aan de gewenste verificatie mee te werken:

- Tradman verschaft de Belastingdienst het benodigd inzicht in de opzet en werking van haar gehele (elektronische) administratie, daaronder mede verstaan op welke wijze en waar de gegevens zijn opgeslagen (art. 52, lid 6 AWR);

- Tradman stelt de Belastingdienst in de gelegenheid - en stelt daartoe de benodigde (technische) ondersteuning ter beschikking - om images te (doen) maken van (i) de gegevensdragers die haar administratie bevatten (art. 53 jo art. 47 en 49 AWR en art. 62 jo art. 58 en 60 Iw) en (ii) de gegevensdragers die (de) administratie bevatten van vennootschappen welke aan een of beide heren Geerts zijn gelieerd, die Tradman houdt (art 48 jo art. 49 ARW en art. 59 jo art. 60 Iw);

- Tradman verstrekt de Belastingdienst een back up van ultimo 2008 van haar administratie (idem) en (de) administraties van vennootschappen welke aan een of beide heren Geerts zijn gelieerd, die Tradman houdt (idem).

(…)

Hetgeen de Belastingdienst bij verificatie mocht aantreffen waar Tradman in het kader van het onderzoek om is verzocht en nog niet eerder door haar aan de Belastingdienst is verstrekt, zal aan Tradman worden voorgelegd. Zij krijgt vervolgens een redelijke termijn om haar bezwaren kenbaar te kunnen maken en, als de Belastingdienst mocht besluiten een of meer gegevens toch te willen gebruiken, daartegen bij de civiele rechter in kort geding te kunnen opkomen.

De Belastingdienst zal de informatie die de images en de back up bevatten uitsluitend gebruiken ten behoeve van (i) de belastingheffing ten aanzien van de beide heren Geerts en aan één van hen of beiden gelieerde rechtspersonen en (ii) de invordering van belastingschuld van deze (rechts)personen. Gegevens waarvan de fiscale relevantie meer dan zeven jaar geleden is verstreken, zullen niet worden gebruikt.

De images en back up zullen na afloop van het onderzoek aan Tradman worden teruggegeven.”

2.7.

Nadat Tradman dit voorstel had afgewezen, heeft de Belastingdienst zijn eis in kort geding gewijzigd in – kort gezegd – de vordering Tradman te veroordelen haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen, waarbij zij meer in het bijzonder meewerkt aan verificatie van de juistheid en volledigheid van het (reeds eerder) door haar ter raadpleging beschikbaar gestelde op de wijze zoals beschreven in de brief van de Belastingdienst van 9 maart 2009.

2.8.

Bij vonnis van 8 mei 2009 heeft de voorzieningenrechter Tradman veroordeeld om:

“(…) binnen tien dagen na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen, onder de door de Inspecteur gestelde waarborgen, zoals opgenomen in de in fotokopie aan dit vonnis gehechte brief van 9 maart 2009, aan het tussen partijen bekend zijnde onderzoek, meer in het bijzonder door:

- inzicht te verschaffen aan de Inspecteur in de opzet en werking van haar gehele (elektronische) administratie, daaronder verstaan op welke wijze en waar de gegevens zijn opgeslagen;

- de Inspecteur in de gelegenheid te stellen en daartoe ondersteuning ter beschikking te stellen om images te (doen) maken van (i) de gegevensdragers die de administratie van Tradman bevatten en (ii) de gegevensdragers die (de) administraties bevatten van vennootschappen welke aan een of beide heren Geerts zijn gelieerd, die Tradman houdt;

- aan de Inspecteur te verstrekken een back up van eind 2008 van haar administratie en/of door haar gehouden administratie van vennootschappen welke aan een of beide heren Geerts zijn gelieerd.

(…)”

2.9.

Op 20 augustus 2009 is de in de brief van 9 maart 2009 bedoelde verificatie aangevangen.

2.10.

Tradman heeft vervolgens de Belastingdienst in kort geding gedagvaard omdat de Belastingdienst in haar optiek bij het derdenonderzoek haar (afgeleid) verschoningsrecht niet respecteerde en de waarborg niet zou naleven. Na het hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 25 september 2009 en de cassatie tegen het arrest van het gerechtshof te Den Haag van 17 augustus 2010, heeft de Hoge Raad op 27 april 2012 arrest gewezen (ECLI:HR:2012:BV3426). De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van Tradman tegen het oordeel van het gerechtshof Den Haag verworpen, inhoudende dat (kort gezegd) aan Tradman geen afgeleid verschoningsrecht toekomt ten aanzien van adresgegevens in haar administratie die zijn gewisseld tussen geheimhouders en hun belastingplichtige cliënten (niet-geheimhouders).

2.11.

Het derdenonderzoek is in 2010 voortgezet. De Belastingdienst heeft in een aantal brieven aan Tradman laten weten dat hij van plan was om ten behoeve van de invordering en/of belastingheffing van belastingschulden van [de gebroeders AB] en/of aan hen gelieerde rechtspersonen, gebruik te gaan maken van de in die brieven genoemde geprinte documenten afkomstig uit de gegevens op de images van Tradman.

2.12.

In 2011 heeft Tradman inzage gegeven in haar archiveringsadministratie, door toezending daarvan per e-mail van 27 april 2011. De Belastingdienst heeft vervolgens met toestemming van de voorzieningenrechter dozen met administratie bij Tradman in beslag laten nemen. De Belastingdienst heeft daarna nog een aantal dozen met administratie opgevraagd bij de archiefbeheerder van Tradman.

2.13.

Op 27 februari 2012 heeft de Belastingdienst Tradman aansprakelijk gesteld. Samengevat stelt de Belastingdienst dat Tradman onrechtmatig heeft gehandeld door haar betrokkenheid bij het handelen van [de gebroeders AB], dat door de Belastingdienst als “fiscaal vampirisme” werd omschreven. De Belastingdienst stelt dat uit onderzoek naar voren komt dat Tradman Geerts tussen 1993 en 2006 bij de daarbij aan de orde zijnde transacties en structuren “op substantiële wijze” heeft bijgestaan. Volgens de Belastingdienst moet het Tradman duidelijk zijn geweest dat de Belastingdienst hierdoor ernstig zou worden benadeeld en dat deze transacties en structuren geen enkel ander doel dienden dan deze benadeling. Daarnaast wist Tradman, aldus de Belastingdienst, of had zij behoren te weten dat de transacties in kwestie zouden leiden tot het faillissement van de aan Geerts verkochte kasgeldvennootschappen en heeft Tradman in zoverre te gelden als medeveroorzaker van deze faillissementen. De Belastingdienststelt verder dat de (administratieve) processen binnen Tradman erop gericht waren te verhullen welke natuurlijke personen of rechtspersonen in de belastingheffing betrokken konden worden, voor welke fiscaal relevante gebeurtenissen en voor welke bedragen. Daardoor is het de Belastingdienst onmogelijk gemaakt (tijdig) aanslagen op te leggen en/of deze (tijdig) in te vorderen en stelt de Belastingdienst dat hij enkele tientallen miljoenen euro’s aan schade heeft geleden. De Belastingdienst heeft Tradman op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk gesteld voor die schade.

2.14.

Op 25 juni 2012 heeft de Belastingdienst om een voorlopig getuigenverhoor verzocht in verband met een eventueel tegen (onder meer) Tradman in te stellen vordering, welk verzoek bij beschikking van 21 februari 2013 van de rechtbank Amsterdam is toegewezen.

2.15.

Bij brief van 18 januari 2013 heeft de Belastingdienst aan Tradman te kennen gegeven dat hij voornemens was om alle geprinte documenten “van de images en de gekopieerde documenten uit de dozen” van Tradman te gaan gebruiken ten behoeve van de invordering en/of belastingheffing van belastingschulden van [de gebroeders AB] en/of aan hen gelieerde rechtspersonen.

2.16.

In antwoord op het daaropvolgende verzoek om meer concreet aan te geven welke prints de Belastingdienst wenste te gebruiken voor het opgegeven doel, heeft de Belastingdienst bij brief van 31 januari 2013 aan Tradman – voor zover hier van belang – geschreven dat hij Tradman geen toelichting was verschuldigd en dat Tradman tot 5 februari 2013 de gelegenheid had om in kort geding op te komen tegen het gebruik van de gegevens.

3 Het geschil

3.1.

Tradman vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

voor recht verklaart dat de Belastingdienst de images heeft gebruikt zonder de daarvoor in acht te nemen waarborgen te respecteren, door na te laten gegevens aan Tradman voor te leggen die door de Belastingdienst worden aangetroffen waar Tradman in het kader van het onderzoek om is verzocht en nog niet eerder door haar aan de Belastingdienst is verstrekt en heeft nagelaten de informatie die de images en de back-up bevatten uitsluitend te gebruiken ten behoeve van (i) de belastingheffing ten aanzien van beide heren Geerts en aan een van hen of beiden gerelateerde rechtspersonen en (ii) de invordering van de belastingschuld van deze rechtspersonen en heeft nagelaten de images en back up na afloop van het onderzoek aan Tradman terug te geven en de Belastingdienst te gelasten binnen een termijn van tien dagen na betekening van het vonnis de waarborgen alsnog in acht te nemen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag dat gedaagden in gebreke blijven met een maximum van € 1.000.000;

voor recht verklaart dat de Belastingdienst jegens Tradman (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de door Tradman als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Belastingdienst geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat;

een en ander met veroordeling van de Belastingdienst in de kosten van het geding.

3.2.

De Belastingdienst heeft de vordering gemotiveerd betwist.

3.3.

Voor zover van belang worden de standpunten en weren van partijen hierna besproken.

4 De beoordeling

Belang Tradman bij haar vordering

4.1.

De vordering van Tradman ziet in de kern op de vraag of de verstrekte waarborg in de weg staat aan het gebruik door de Belastingdienst van de in het derdenonderzoek verkregen gegevens. De Belastingdienst beoogt die gegevens te gebruiken bij het hiervoor bedoelde voorlopig getuigenverhoor, vooruitlopend op een nog tegen Tradman in te stellen vordering tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad (hierna: de civiele procedure).

4.2.

Anders dan de Belastingdienst heeft betoogd, heeft Tradman voldoende belang bij haar vordering. Het enkele feit dat Tradman de (naleving van de) waarborg in de nog te starten civiele procedure aan de orde kan stellen, ontneemt haar in de onderhavige zaak niet het procesbelang in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Tradman heeft een voldoende concreet belang en heeft voorts te gelden als een rechtspersoon die onmiddellijk betrokken is bij de jegens haar afgegeven waarborg (zie artikel 3:302 BW).

Het gebruik van de bij het derdenonderzoek verkregen gegevens

4.3.

Vaststaat dat de Belastingdienst de in het derdenonderzoek verkregen gegevens heeft gebruikt in een voorlopig getuigenverhoor, met het oog op een civiele procedure tegen (onder meer) Tradman waarin op grond van onrechtmatige daad schadevergoeding zal worden gevorderd. De vraag die partijen verdeeld houdt is of hiermee in strijd wordt gehandeld met de waarborg, waarin is vastgelegd dat de bij het derdenonderzoek verkregen gegeven alleen zouden worden gebruikt voor (i) de belastingheffing ten aanzien van [de gebroeders AB] en aan een van hen of beiden gelieerde rechtspersonen en (ii) de invordering van belastingschuld van deze (rechts)personen.

4.4.

De Belastingdienst stelt dat zij in de civiele procedure schade wenst te verhalen die zij heeft geleden doordat heffing en/of invordering bij [de gebroeders AB] en aan hen gelieerde (rechts)personen niet meer mogelijk is door toedoen van Tradman. De Belastingdienst wijst erop dat de Ontvanger hiermee gebruik maakt van de aan hem binnen het open systeem van artikel 3 lid 2 van de Invorderingswet 1990 (Iw 1990), thans artikel 4:124 Awb , toekomende bevoegdheid om bij de uitoefening van zijn invorderingstaak gebruik te maken van bevoegdheden die gewone schuldeisers hebben en zich met een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad tot de civiele rechter te wenden.

Open systeem van invordering

4.5.

De Ontvanger heeft tot taak “(…) ervoor zorg te dragen dat de materieel verschuldigde en formeel vastgestelde belasting daadwerkelijk in de schatkist komt.” Zie de Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel Invordering van rijksbelastingen, andere dan invoerrechten en accijnzen (Invorderingswet 1989) TK 1998-1999, 20 588, nr. 6, p 2. De Ontvanger is bevoegd om in rechte op te treden in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit deze taak. Daarbij is de Ontvanger in het in art. 3 lid 2 (oud) Iw 1990, thans artikel 4:124 Awb neergelegde “open systeem” vrij in de keuze van de middelen die hij aanwendt om belastingschulden in te vorderen; hij heeft tegenover de belastingschuldenaar privaatrechtelijke bevoegdheden van een schuldeiser en beschikt daarenboven over de bijzondere aan de Iw ontleende bevoegdheden. In de Memorie van Antwoord bij de Invorderingswet 1989 staat hierover: “Met betrekking tot de verhouding tussen de bijzondere bevoegdheden neergelegd in dit wetsvoorstel en de algemene bevoegdheden die het burgerlijk recht toekent aan een gewone schuldeiser, merken wij op dat in een open systeem die bevoegdheden naast elkaar kunnen worden aangewend (…). Het is dus niet zo dat die bijzondere bevoegdheden prevaleren boven de algemene bevoegdheden dan wel dat de bijzondere bevoegdheden de algemene bevoegdheden uitsluiten tenzij zulks uitdrukkelijk is geregeld (…)”(TK 1998-1999, 20 588, nr. 3, p. 8). De keuzevrijheid van de Ontvanger wordt slechts begrensd door het bepaalde in de Leidraad Invordering 1990 en door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.6.

Het voorgaande betekent dat de Ontvanger kan kiezen voor echte invordering waarbij de belastingschuld wordt voldaan door de belastingschuldige of de derde die daarvoor aansprakelijk is gesteld, bijvoorbeeld op grond van de artikelen 40 en 49 Iw 1990, artikel 1:102 BW en artikel 18 WvK. De Ontvan ger kan er ook voor kiezen een vordering tot betaling van schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad in te stellen tegen een derde, waarbij de onrechtmatigheid hierin bestaat dat door toedoen van die derde de invordering niet meer mogelijk is en de door die derde te betalen schadevergoeding het bedrag beloopt van de niet ingevorderde belastingschulden. In dat laatste geval is geen sprake van (indirecte) invordering van belastingschulden door de Ontvanger, maar van gebruikmaking van de hem als schuldeiser ten dienste staande middelen. De Ontvanger vordert dan geen belasting in, maar neemt een maatregel tegen bekorting van zijn verhaalsrecht. Zie HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2120, NJ 1997, 102 (Van Maarseveen c.s./Ontvanger) en HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:397.

4.7.

Daarbij geldt dat dit verhaal op een derde uit hoofde van onrechtmatige daad alleen kan plaatsvinden nadat de belastingschulden ingevolge de belastingwet zijn vastgesteld. Zie HR 8 mei 1998, ECLI:HR:1998:ZC7062 (Staat/Lenger). Niet nodig is dat de belastingschulden ten tijde van het verweten onrechtmatig handelen in belastingaanslagen waren geformaliseerd. Evenmin is vereist dat alle aanslagen, waarvan de invordering door toedoen van de derde is verhinderd, waren opgelegd ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in de civiele procedure waarin schadevergoeding wordt gevorderd. Wel is voor de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding vereist dat de omvang van de schade uit opgelegde aanslagen blijkt, maar dit punt kan zo nodig in een schadestaatprocedure aan de orde komen (indien de Ontvanger schadevergoeding op te maken bij staat vordert). Zie HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2120 (Van Maarseveen/Ontvanger).

4.8.

Daarbij geldt verder dat niet kan worden aanvaard dat de omvang van de schade die de aangesproken derde moet vergoeden zonder meer zou worden bepaald door de aanslag waarvan hij niet langs bestuursrechtelijke weg de rechtmatigheid heeft kunnen doen vaststellen. Zie HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8686 (MPT/Ontvanger).

Gebruik gegevens binnen de reikwijdte van de waarborg?

4.9.

Het aan de orde zijnde gebruik van de uit het derdenonderzoek verkregen gegevens kan op geen enkele manier worden aangemerkt als het in de waarborg omschreven gebruik voor “(i) de belastingheffing ten aanzien van beide heren [de gebroeders AB] en aan één van hen of beiden gelieerde rechtspersonen”.

4.10.

Hoewel de bewoordingen van de tweede gebruiksmogelijkheid “(ii) de invordering van belastingschuld van deze (rechts)personen” op het eerste gezicht en strikt naar de letter gelezen wijzen op een beperking van het gebruik van de gegevens voor de invordering van belastingschulden uit hoofde van de heffing daarvan, kan deze zinsnede uit de waarborg in redelijkheid niet anders worden verstaan dan dat deze mede betrekking heeft op gebruik van de bij het derdenonderzoek verkregen gegevens bij de uitoefening van bevoegdheden door de Ontvanger als schuldeiser. De rechtbank acht daartoe het volgende redengevend.

4.11.

De waarborg is afgegeven hangende de behandeling van het kort geding dat heeft geleid tot het vonnis van de voorzieningenrechter van 8 mei 2009; in r.o. 2.7. staat hoe dat is gegaan. Uit de in het geding gebrachte processtukken uit de kort gedingprocedure en het vonnis van de voorzieningenrechter blijkt dat partijen verdeeld waren over de vraag of Tradman toen al niet haar volledige medewerking had verleend aan het derdenonderzoek en de door Tradman aan de orde gestelde consequenties van eventueel gebruik van de uit het derdenonderzoek verkregen gegevens over andere cliënten: “Daarom wil Tradman waarborging jegens haar andere cliënten dat de door de Inspecteur onderzochte administratie alleen ten laste van Geerts zal worden gebruikt. Daartoe dient de inspecteur een vrijwaring af te geven dat Tradman en haar bestuurders zowel zakelijk en privé worden gevrijwaard van strafrechtelijke of bestuursrechtelijke vervolging dan wel civielrechtelijke aansprakelijkheid ten opzichte van de belastingdienst dan wel derden/cliënten. ” Zie r.o. 3.3. van het vonnis van de voorzieningenrechter, waarin het standpunt van Tradman is weergegeven in de omschrijving van het geschil.

4.12.

Gegeven de wijze van totstandkoming van de waarborg en gezien deze inhoud van de partijdiscussie in het kort geding, kan deze in redelijkheid niet anders worden opgevat dan dat daarin beoogd is vast te leggen dat de uit het derdenonderzoek verkregen gegevens niet zouden worden gebruikt ten aanzien van andere cliënten van Tradman. Er is geen grond voor het oordeel dat met de waarborg ook werd uitgesloten dat de Ontvanger zijn gewone schuldeisersbevoegdheden zou kunnen uitoefenen in verband met de belastingschulden van [de gebroeders AB] en de aan hen gelieerde (rechts)personen. De rechtbank weegt daarbij mee dat nergens uit blijkt dat de Belastingdienst dit laatste met haar formulering van de waarborg heeft beoogd en dat gesteld noch gebleken is dat deze inperking van de bevoegdheden van de Ontvanger voor het opstellen van de waarborg ooit onderwerp van gesprek is geweest tussen partijen als een mogelijke waarborg in verband met het derdenonderzoek. In het bijzonder blijkt niet dat Tradman dit destijds als voorwaarde heeft verbonden aan haar medewerking; alleen de hiervoor bedoelde vrijwaring, die verband hield met bevindingen over andere cliënten is aan de orde geweest.

4.13.

Bij het hiervoor gegeven oordeel weegt de rechtbank verder de hiervoor gegeven inhoud en reikwijdte van de bevoegdheden van de Ontvanger in het open systeem van invordering mee, onder meer de – alleen door de Leidraad en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur begrensde – keuzevrijheid van de Ontvanger om van zijn bijzondere bevoegdheden gebruik te maken, dan wel van zijn algemene bevoegdheden als schuldeiser. De rechtbank acht het buiten redelijke twijfel dat de Ontvanger deze keuzevrijheid en – daarmee – zijn algemene schuldeisersbevoegdheden niet zonder meer, te weten zonder enige gedachtewisseling daarover met Tradman en voordat het derdenonderzoek was uitgevoerd, heeft willen opgeven met de waarborg.

4.14.

Het gebruik van de images bij (het voorlopig getuigenverhoor met het oog op) een civielrechtelijke aansprakelijkstelling van Tradman op grond van onrechtmatige daad, valt dus binnen de reikwijdte van de waarborg. De rechtbank heeft voorts geen reden om te veronderstellen dat de Belastingdienst de bij het derdenonderzoek verkregen gegevens gebruikt buiten de (hiervoor aangeduide) kaders, die gelden voor de aanwending van de bevoegdheid van de Ontvanger om een vordering tot betaling van schadevergoeding in te stellen uit hoofde van onrechtmatige daad. Dit geldt evenzeer voor de daarop vooruitlopende voorlopige getuigenverhoren. Gelet op dit alles dient de vordering te worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op gebruik van de gegevens buiten de reikwijdte van de waarborg.

4.15.

Wellicht ten overvloede – en ter voorkoming van misverstanden – overweegt de rechtbank dat zij hiermee geen oordeel heeft gegeven over de vraag of daadwerkelijk grondslag bestaat voor betaling van schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad door Tradman voor de belastingschulden van [de gebroeders AB] en de aan hen gelieerde (rechts)personen. De rechtbank heeft de uitgebreide voorlichting daarover door de Belastingdienst voor kennisgeving aangenomen. Tradman heeft overigens nadrukkelijk te kennen gegeven dat zij de bevoegdheid van de Ontvanger om haar aansprakelijk te stellen in verband met de belastingschulden van [de gebroeders AB] en de aan hen gelieerde procedure niet betwist, maar dat het haar gaat om het daarvoor gebruiken van de images.

4.16.

Aan beoordeling van de overige geschilpunten over het gebruik van de uit het derdenonderzoek verkregen images komt de rechtbank gezien het voorgaande niet toe.

De procedureafspraken uit de waarborg

4.17.

Het verwijt van Tradman over het niet volgen van de in de waarborg vastgelegde procedure is tweeledig: i) het niet voorleggen van aangetroffen gegevens die Tradman niet eerder aan de Belastingdienst had verstrekt en ii) het nalaten de images en de back up na afloop van het onderzoek terug te geven.

4.18.

Tradman heeft ook opmerkingen gemaakt over de fiscale relevantie van de gegevens in relatie tot wat daarover is opgenomen in de waarborg. De Belastingdienst heeft hiertegen onder meer als verweer gevoerd dat de fiscale relevantie van de gegevens, gezien de verlengde navorderingstermijn die mogelijk aan de orde zijn, tot jaren terug kan gaan. Met de Belastingdienst is de rechtbank van oordeel dat Tradman – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat de waarborg in dit opzicht niet wordt nageleefd.

Ad i) het niet voorleggen van gegevens aan Tradman

4.19.

Volgens Tradman heeft de Belastingdienst met de “generieke mededeling” in de brief van 18 januari 2013 de in de waarborg vervatte toezegging dat documenten voorafgaand aan het gebruik worden voorgelegd, niet nageleefd.

4.20.

De Belastingdienst heeft daar tegenover gesteld dat hij steeds aan Tradman heeft laten weten welke images hij zou gaan gebruiken en dat met deze brief niet wordt gedoeld op andere images dan die eerder zijn genoemd in de onder 2.11. bedoelde brieven daarover aan Tradman. Daarnaast heeft de Belastingdienst in zijn onder 2.16. bedoelde brief Tradman (weer) een termijn gegund om – conform de in de waarborg neergelegde procedure – de voorzieningenrechter om een oordeel te vragen over het gebruik van de images. Tradman heeft deze termijn ongebruikt gelaten.

4.21.

Gelet op het voorgaande staat onvoldoende vast dat de Belastingdienst andere images gebruikt voor de civiele procedure dan die waarvan hij eerder kenbaar heeft gemaakt dat hij die zou gaan gebruiken. Tradman heeft bovendien (weer) geen gebruik gemaakt van de in de waarborg omschreven procedure.

4.22.

Aangezien Tradman heeft gesteld dat het haar alleen om het gebruik van de images gaat en niet om het gebruik van de in de brief van 18 januari 2013 (zie r.o. 2.15.) genoemde dozen met stukken, laat de rechtbank deze dozen met stukken buiten beschouwing.

Ad ii) het teruggeven van de images en back up

4.23.

Het verwijt over het teruggeven van de images en de back up strandt reeds op het gegeven dat de Belastingdienst onweersproken heeft gesteld dat het onderzoek nog niet is afgerond en verder te kennen heeft gegeven een en ander terug te zullen geven zodra dat kan. De rechtbank ziet geen reden om aan deze toezegging te twijfelen.

Slotsom

4.24.

Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vorderingen van Tradman, die als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt veroordeeld. Deze kosten worden tot aan de datum van dit vonnis aan de zijde van de Belastingdienst begroot op € 1.393, te weten € 589 aan griffierecht en € 804 aan kosten voor de advocaat (2 punten tarief II).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Tradman in de kosten van deze procedure, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Belastingdienst worden begroot op € 1.393;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L. Alwin, J.L.M. Luiten en M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature