Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Verjaring schadevordering. Vordering tot afgifte dossier wordt toegewezen.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/302305 / HA ZA 16-249

Vonnis van 8 februari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J. Zandberg te Zevenaar,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.P. Snoek te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 7 september 2016

het proces-verbaal van comparitie van 23 december 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft [eiser] vanaf september 2000 als advocaat bijgestaan in een arbeidszaak, een WW-zaak en diverse met zijn echtscheiding verband houdende procedures.

2.2.

[gedaagde] heeft zich op 1 december 2011 uitgeschreven als advocaat in verband met ernstige gezondheidsklachten. [gedaagde] heeft [eiser] daarvan in maart 2012 op de hoogte gesteld.

2.3.

Bij brief van 10 juli 2012 heeft [eiser] een klacht tegen [gedaagde] ingediend bij de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Arnhem. Na vooronderzoek door de deken, is de klacht voorgelegd aan de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden.

2.4.

Na een mondelinge behandeling van de klacht op 11 februari 2013, waar [gedaagde] is verschenen, heeft de raad bij tussenbeslissing van 4 maart 2013 de klacht als volgt omschreven:

(…) dat verweerster ( [gedaagde] , toevoeging rechtbank) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet , in het bijzonder doordat zij:

a) ondanks zijn verzoeken per e-mail van 10 juli en 21 juli 2012 en telefonisch op 13 juli 2012 geen afspraak met klager ( [eiser] , toevoeging rechtbank) heeft gemaakt voor de overhandiging van zijn complete dossiers;

b) niet met klager overlegde bij het indienen van stukken, waardoor niet alle relevante informatie is overgelegd tijdens de gerechtelijke procedures, met als gevolg dat klager op de desbetreffende punten in het ongelijk is gesteld;

c) klager niet heeft geïnformeerd over een zitting bij het gerechtshof, met als gevolg dat hij onder meer werd veroordeeld in de proceskosten;

d) klager niet heeft geïnformeerd over een uitspraak van de Hoge Raad in zijn zaak; hij moest deze van zijn ex-echtgenote vernemen;

e) niet tijdig een verzoekschrift tot nihilstelling heeft ingediend nadat klager werkloos was geworden en derhalve niet de middelen had om bij te dragen in het onderhoud van zijn ex-echtgenote, met als gevolg dat klager anderhalf jaar te lang alimentatie heeft moeten betalen;

f) heeft geadviseerd om verder te procederen tot opheffing van een beslag en correctie van eerdere gerechtelijke beslissingen, terwijl de zaak inmiddels was verjaard;

g) gemaakte afspraken niet nakwam zoals het raadplegen van een Duitse advocaat in verband met het toepasselijke Duitse recht.

.

2.5.

Na de overweging in de tussenbeslissing van 4 maart 2013 dat het alvorens over de klachtonderdelen te oordelen nodig is dat de dossiers althans de relevante gedeeltes daarvan ter beschikking komen van [eiser] en de deken, en [gedaagde] bereid is deze af te geven, heeft de raad de zaak in dezelfde tussenbeslissing terugverwezen naar de deken voor nader onderzoek, en de verdere behandeling van de klacht aangehouden.

2.6.

Daarop heeft [gedaagde] de dossiers echter niet afgegeven. Naar aanleiding daarvan heeft de raad bij eindbeslissing van 16 december 2013 overwogen dat de gevolgen daarvan voor risico van [gedaagde] dienen te komen en dat [eiser] zijn klachten binnen de voor hem beperkte mogelijkheden voldoende heeft onderbouwd. De raad heeft alle klachtonderdelen gegrond verklaard en aan [gedaagde] de maatregel van een schorsing opgelegd voor de duur van 14 dagen.

2.7.

Uit een brief van de toenmalige advocaat van [eiser] aan [gedaagde] van 22 juli 2015 wordt geciteerd:

Ondanks herhaald verzoek weigert u tot op de dag van heden aan cliënt zijn volledige dossier ter hand te stellen. Afspraken worden niet nagekomen en op brieven mijnerzijds wordt niet meer gereageerd.

Ten gevolge van de door u gemaakte fouten en omissies heeft cliënt ernstige schade geleden, voor welke schade u aansprakelijk bent waar nodig stel ik u voor deze schade aansprakelijk.

(…)

Ter zake materiële schade valt deze te begroten op een bedrag van circa € 127.042,43. Daarnaast maakt cliënt aanspraak op de wettelijke rente over dit bedrag.

Het schadebedrag dient nog te worden vermeerderd met een bedrag ter zake immateriële schade. Client is diabetespatiënt, insuline afhankelijk en leidt vanaf de echtscheiding al jaren aan een zware, inmiddels chronische, depressie, waarvoor hij nog steeds onder behandeling staat. De hele hiervoor geschilderde situatie veroorzaakt door u handelen dan wel het gebrek aan u handelen, welke uiteindelijk heeft geresulteerd in de uitspraak van de Raad van Discipline van 16 december 2013 en uw weigerachtige houding nadien om het volledige dossier aan cliënt ter hand te stellen, heeft een zeer negatieve invloed gehad op de gezondheid van cliënt. Een en ander kan middels medische verklaringen worden aangetoond. Ter zake smartengeld eist cliënt een bedrag ad PM.

Namens cliënt verzoek ik u dringend deze brief door te geleiden aan uw beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en deze te verzoeken contact met mij op te nemen teneinde deze zaak tot een oplossing te brengen. (…)

2.8.

[gedaagde] heeft niet op de hiervoor genoemde brief van 22 juli 2015 gereageerd. Evenmin heeft [eiser] of zijn toenmalige raadsman een reactie van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde] ontvangen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – [gedaagde] te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot afgifte aan hem van het in haar bezit zijnde dossier binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, tot betaling aan hem van een schadevergoeding van € 127.042,43, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, alsmede tot vergoeding van door hem geleden immateriële schade op te maken bij staat, en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft het dossier niet aan hem afgegeven, ondanks haar daarop gerichte toezegging. Verder stelt hij dat hij door fouten van [gedaagde] schade heeft geleden en [gedaagde] daarvoor aansprakelijk is tot het door hem gevorderde bedrag, hetzelfde bedrag als genoemd in de onder 2.7 vermelde brief van zijn raadsman aan [gedaagde] . De brief bevat een gespecificeerde onderbouwing van het bedrag, die hiervoor onder 2.7. niet als citaat is overgenomen. Daarnaast stelt [eiser] dat hij door deze fouten immateriële schade heeft geleden. De aansprakelijkheid voor de fouten is vastgesteld in de beslissing van de raad van discipline van 16 december 2013, waartegen [gedaagde] geen beroep heeft ingesteld.

3.3.

[gedaagde] verweert zich tegen de gevorderde afgifte van het dossier. Het dossier is niet van [eiser] . Zij stelt dat er geen grond bestaat voor afgifte. Zij erkent dat zij niet op de brief van 22 juli 2015 heeft gereageerd. Haar beroepsaansprakelijkheidsverzekering, die vanwege het staken van haar praktijk inmiddels is beëindigd, voorziet niet in een dekking voor een uitlooprisico als hier aan de orde. [gedaagde] is van mening dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Het is haar niet goed duidelijk waartegen zij zich moet verweren. Zij stelt dat de vorderingen tot schadevergoeding op grond van de korte verjaringstermijn van vijf jaar als volgend uit artikel 3:310 lid 1 BW inmiddels zijn verjaard. Alle feiten en omstandigheden die hier aan de orde zijn hebben zich ruim 10 jaar geleden voorgedaan en [eiser] is reeds sinds die tijd bekend met de vermeende schade en met de persoon van [gedaagde] die hiervoor volgens [eiser] aansprakelijk moet worden gehouden. Daarnaast heeft [eiser] op grond van artikel 6:89 BW het recht verwerkt om te klagen over de door hem gestelde tekortkomingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 111 lid 2 aanhef en sub d Rv dienen in de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te worden opgenomen. De gronden zijn niet in de dagvaarding opgenomen, maar in de dagvaarding is een verwijzing opgenomen naar de brief van 22 juli 2015 van de toenmalige advocaat van [eiser] aan [gedaagde] (zie hiervoor onder 2.7) en de beslissingen van de raad van discipline van 4 maart en 16 december 2013 (zie hiervoor onder 2.3 – 2.6) die als producties daaraan zijn gehecht. Een dergelijke verwijzing kan leiden tot onduidelijkheid over de grondslag. In zijn algemeenheid is het daarom wenselijk dat de gronden in de dagvaarding zelf worden opgenomen. Van een onduidelijkheid is hier echter geen sprake. De brief bevat een duidelijke feitelijke grondslag van de vordering, en het in de brief vermelde schadebedrag stemt overeen met bedrag van de vordering. Aldus voldoet de dagvaarding aan het in artikel 111 lid 2 aanhef en sub d Rv gestelde vereiste. Weliswaar zijn in de dagvaarding geen duidelijke juridische gronden voor de vordering vermeld, maar het vereiste van artikel 111 lid 2 aanhef en sub d Rv ziet daarop niet. Anders dan door [gedaagde] is bepleit, is van een nietige dagvaarding dan ook geen sprake.

4.2.

De eerste vordering van [eiser] betreft de afgifte van het dossier. [eiser] stelt dat [gedaagde] bij het beëindigen van haar advocatenwerkzaamheden heeft nagelaten zijn dossier aan hem af te geven. Afspraken daarover zijn door [gedaagde] niet nagekomen waardoor hij slechts over een deel van het dossier beschikt. Ook aan verzoeken tot afgifte van het dossier door de raad van toezicht – de rechtbank begrijpt de deken – en de raad van discipline is door [gedaagde] geen gevolg gegeven. [eiser] stelt dat het dossier onder meer bestaat uit correspondentie, beschikkingen, vonnissen en andere belangrijke bewijsstukken zoals belastingaanslagen.

4.3.

[gedaagde] verweert zich met de stelling dat zij geen verplichting heeft het dossier aan [eiser] af te geven. Zij zou hooguit de stukken die zij ter zake van de uitvoering van de opdracht onder zich heeft gekregen aan [eiser] moeten afgeven. Zij heeft [eiser] telkens kopieën van (proces)stukken en de correspondentie gezonden zodat hij over alle relevante en belangrijke stukken beschikt. [eiser] heeft na beëindiging van de relatie met [gedaagde] , nimmer om kopieën van stukken of correspondentie gevraagd. Dat heeft hij kennelijk pas in juli 2012 gedaan, toen de relatie met haar al lang was beëindigd. Het is haar ook niet duidelijk welke dossiers [eiser] zou willen hebben. Het gaat om minimaal tien dossiers. Uit de beslissing van de raad van toezicht van 4 maart 2013 zou uitsluitend volgen dat zij alleen de relevante delen uit de dossiers aan [eiser] zou hebben moeten overhandigen. Bovendien zou dit uitsluitend dienen te gebeuren in het kader van de behandeling van de tegen haar gerichte klachten bij de raad waarop de raad inmiddels heeft beslist. Tijdens de comparitie van partijen heeft [gedaagde] nog een beroep gedaan op een retentierecht in verband met door [eiser] onbetaald gelaten facturen.

4.4.

Het verweer van [gedaagde] faalt. Naar vaste (tuchtrecht)jurisprudentie dient de advocaat op eerste verzoek het dossier of een kopie daarvan aan zijn cliënt af te geven waaronder in ieder geval de hiervoor vermelde, door [eiser] gestelde stukken. Daarbij is niet van belang of de cliënt tijdens de behandeling van de zaak reeds eerder kopieën daarvan heeft ontvangen. Bovendien heeft [gedaagde] tijdens de behandeling van de tegen haar gerichte klachten bij de raad van discipline naar voren gebracht dat zij geen bezwaar had om het dossier af te geven. Die bereidheid heeft zij, anders dan zij betoogt, niet beperkt tot het onderzoek bij de raad van discipline, althans blijkt dat niet uit de meergenoemde tussenbeslissing van de raad. De rechtbank gaat voorbij aan het beroep van [gedaagde] op een retentierecht in verband met facturen die [eiser] niet zou hebben betaald. Het retentierecht heeft zij voor het eerst ingeroepen tijdens de comparitie van partijen, zonder daarbij duidelijkheid te geven over wat er volgens haar nog aan facturen openstaat. Aldus heeft [eiser] onvoldoende mogelijkheid gehad zich daartegen te verweren. Bovendien, maar dit ten overvloede, zou een vordering van [gedaagde] mogelijk kunnen worden verrekend met een schadevordering van [eiser] , ook als die schadevordering is verjaard. De op afgifte van het dossier gerichte vordering zal daarom worden toegewezen als gevorderd, met de daarbij gevorderde dwangsom evenwel met de hierna te bepalen maximering.

4.5.

Met betrekking tot de door [eiser] gevorderde schade wordt het volgende overwogen. [gedaagde] stelt dat de vorderingen feiten en omstandigheden betreffen die zich meer dan tien jaar geleden hebben voorgedaan. [eiser] heeft dat niet bestreden, maar tijdens de comparitie van partijen heeft hij verklaard dat hij pas heel laat in de gaten kreeg dat er iets fout ging, en dat hij steeds zijn zorgen aan [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt, maar van haar steeds te horen kreeg dat het wel goed zou komen. Na een kort geding zou hij nog een bodemprocedure kunnen starten, zo werd hem door [gedaagde] voorgehouden en ook “we staan met 2-0 achter maar kunnen nog steeds met 3-2 winnen.” De vordering is volgens [eiser] daarom nog niet verjaard. Voor het begin van de verjaringstermijn moet volgens hem worden uitgegaan van de procedure bij de raad van discipline, naar de rechtbank begrijpt de dag waarop de klacht door de raad in behandeling is genomen. Tussen partijen is niet in discussie dat indien daarvan zou worden uitgegaan, de vordering nog niet zou zijn verjaard.

4.6.

De beoordeling is als volgt. Tussen partijen staat als onbestreden vast dat de feiten die [eiser] aan zijn schadevordering ten grondslag legt zich meer dan tien jaar geleden hebben voorgedaan. Ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag die volgt op die waarop de partij die schade lijdt zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Uit de stellingen van [eiser] volgt niet dat hij niet direct na de feiten en omstandigheden waarvan hij stelt dat die tot schade voor hem hebben geleid, daarmee en met de daarmee door hem gestelde schade bekend was, alsmede met de persoon, [gedaagde] , die daarvoor volgens hem aansprakelijk is. In die zin zou de vordering dan ook zijn verjaard. Van een tijdige stuiting van de verjaring in de zin van artikel 3:317 BW lid 1 is niet gebleken, en gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] de door [eiser] gestelde aansprakelijkheid heeft erkend, zodat ook daarom geen sprake is van een stuiting ex artikel 3:318 BW . [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] hem heeft gerustgesteld dat het allemaal wel goed zou komen (“we staan met 2-0 achter maar we kunnen nog met 3-2 winnen”). Nog daargelaten dat [eiser] dit eerst tijdens de comparitie van partijen naar voren heeft gebracht en [gedaagde] geen goede mogelijkheid heeft gehad om hierop te reageren, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan, kan hieruit geen erkenning van aansprakelijkheid worden afgeleid. Ook kan hieruit niet worden afgeleid dat [eiser] geen rekening hoefde te houden met de mogelijkheid dat hij de door hem gestelde schade zou gaan lijden, immers is er bij een verloren procedure geen zekerheid dat er in een bodemprocedure of in appel een andere beslissing volgt. De op schadevergoeding gerichte vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.

4.7.

Nu de vordering tot afgifte van de dossiers wordt toegewezen en de vorderingen strekkende tot schadevergoeding worden afgewezen, is geen van de partijen als overwegend in het (on)gelijk gestelde partij aan te merken. De proceskosten worden daarom gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het in haar bezit zijnde dossier aan [eiser] af te geven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, dit tot een maximum van € 10.000,00,

5.2.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature